Janna Stam

Geboortenaam Janna Stam
Roepnaam Jannie
Geslacht vrouwelijk
Leeftijd bij overlijden 60 jaren, 10 maanden, 8 dagen

Gebeurtenissen

Gebeurtenis Datum Locatie Beschrijving Opmerkingen Bronnen
Geboorte 1927-03-11 Vlaardingen, Zuid-Holland, Nederland  
 
Residentie geschat van 1945-01-17 tot 1945-02-28 Hardenberg, Overijssel, Nederland De tocht naar Hardenberg die Janny, Rina, Fred en Wim hebben ondernomen in de hongerwinter van 1944.
 
Overlijden 1988-01-19 Brucht, Hardenberg, Overijssel, Nederland  
 

Ouders

Verwantschap met de hoofdpersoon Naam Relatie in dit gezin (indien niet door geboorte)
Vader Frederik Stam
Moeder Henderina den Draak
    Broer     Leendert Stam
    Zus     Sophia Maria Stam
    Zus     Petronella Stam
         Janna Stam
    Zus     Henderina Stam
    Broer     Frederik Stam
    Broer     Willem Stam
    Broer     Martien Stam
    Broer     Cornelis Dirk Stam

Gezinnen

    Gezin van Gerrit Moeken en Janna Stam
Getrouwd Man Gerrit Moeken
   
Gebeurtenis Datum Locatie Beschrijving Opmerkingen Bronnen
Huwelijk 1949-09-14 Vlaardingen, Zuid-Holland, Nederland  
 
  Kinderen
  1. Anneke Moeken
  2. Ferry Moeken
  3. Rina Moeken
  4. Gerrit Willem Moeken

Verhaal

Dit is het verhaal dat tante Jannie heeft opgetekend van de reis die ze samen met Rina, Fred en Wim maakte van Vlaardingen naar Hardenberg in de hongerwinter.

Het was een zonnige winterdag op 17 Jan. 1945. Twee meisjes en twee jongens van Stam nml. Janny, Rina, Fred en Wim resp. 17, 15, 13 en 10 jaar oud, zouden samen met Anny, Tiny en Elbert Olijrhook 20, 12 en 9 jaar de honger ontvluchten en zien of zij het beloofde land Overijssel konden bereiken. Vol goede moed togen zij Woensdagmorgen om 8 uur uit hun ouderlijk huis, Westhavenkade. De drie oudsten droegen een zware zak op de rug waar de kleren inzaten, terwijl Wim een kleinere rugzak droeg met eten voor onderweg. Ook hadden Janny en Rina nog een tas te dragen. De zon scheen heerlijk en al gauw werd het te warm met de beide mantels en jassen die zij aanhadden.

Vooraan in Schiedam liep een man met een handwagen waar de bagage op mocht liggen, tot aan de Rotterdamsedijk. Daar moest de man een andere kan uit en allen zochten hun spullen weer op. Algauw kwam hun een carrier achterop die meereed tot aan de Mathenesserweg. De reis door Rotterdam was goed begonnen maar nu moest elk hun zak zelf weer dragen wat niet meeviel, want als de zeven trekkers even uitrusten, kwam al gauw nieuwsgierigen om hen heen staan, die vroegen waar de reis heenging en waar zij vandaag kwamen. Toen ze hoorden dat ze nog maar een paar uur onderweg waren en nog ruim 200km voor de boeg hadden kregen de Rotterdammers medelijden, maar daarmede waren de vrijwillige evacués niet mee geholpen en algauw vervolgden zij hun weg weer. Hoe eerder zij Rotterdam achter zich hadden hoe liever zij het hadden.

's Middags 1 uur hadden zij Rotterdam achter zich en zaten zij bij Hillegersberg rustig hun boterham te eten. Lang konden zij daar niet blijven zitten, want hun einddoel lag verder. Toen zij op de weg naar Gouda liepen, kwamen twee paarden wagens hen achterop, elk bestuurd door een Duitser. De voorste Duitser was nors uitgevallen en hij wilde niet hebben, dat er mensen op zijn wagen kwamen. Maar de andere was vriendelijker en daar mochten alle zeven met meerijden. Die dag gingen ze niet verder dan Gouda, waar ze om half vijf aankwamen. Nu moesten zij dan eerst zien of ze voor de nacht onderdak konden krijgen. Na wat rondgezworven te hebben, belanden bijeen lokaal van het Leger des Heils, waar op de grond strozaken lagen. Doch voordat het licht uitgedaan werd om 8 uur kregen alle mensen een kopje koffie en werd eerst ook nog gezongen en gebeden. Maar doordat andere trekkers zaten of lagen te praten kwam de eerste nacht buiten het ouderlijk huis van slapen niet veel en waren ze blij dat het weer dag was.

Donderdagsmorgens werd om half acht de reis weer aanvaard. Maar nu was de lucht niet helder. Donkere wolken joegen door het luchtruim en de regen kletterde neer. Toch werden de zeven daardoor niet ontmoedigd. Vrolijk gingen ze verder. Steeds dichter naar hun doel. Nog maar een kwartiertje te hebben gelopen, kwamen twee dames hen achterop met een leeg wagentje, gemaakt van een aardappelkist. Al de bagage werd daarin opgestapeld en zo ging het vlugger en gemakkelijker. In een klooster buiten Gouda werd even halt gehouden, om te vragen of ze iets te drinken hadden. Allen kregen een kopje lekkere warme thee. Het was het eerste wat ze kregen te drinken. Hoewel de kleren langzamerhand zwaar werden van de regen moesten zij toch verder. Om 11 uur kwamen zij voorbij een café in de Heeren. Daar gingen ze even naar binnen om wat te eten en zich te warmen. Anny had van thuis wat havermout meegekregen en van de eigenaar kregen zij een pannetje te leen en mochten op de kachel koken. Ook aten ze wat boterhammen, omdan niet eerder te eten voor dat het avond was, want zij moesten zuinig zijn met het eten dat zij meegekregen had. Terwijl Anny aan het koken was, reden de twee Duitsers van de vorige dag voorbij. Havermout werd in de steek gelaten, daar hadden we geen tijd meer voor liefhebbers waren genoeg. Gauw pakten allen hun eigen spullen weer en algauw zaten we weer op de laatste wagen richting Utrecht.

Tegen half een reden de Duitsers een boerderij binnen om honger en dorst te stillen en ook de paarden eten te geven. Toen de Duitsers verzadigd waren gingen ze weer verder. Algauw kwamen er meer mensen op de tweede wagen die langzamerhand vol werd. Een paar moesten op de eerste wagen overstappen. Janny, Rina, Fred en Wim hun bagage achterlatende onder de hoede van Anny, gingen met nog een paar anderen op de eerste wagen. Het duurde niet lang of ze waren uit het zicht verdwenen. Het was die dag nog niet droog geweest. Nog steeds sneeuwde het, en de weg werd glad. Bij Oude Rijn kon het paard niet verder en moesten alle mensen van de wagen af. Omdat de tweede nog niet te zien was, gingen de vier Stammen bij het dichtbij zijnde huis vragen of zij zich mochten warmen. In een gezellig kamertje brandde de kachel.

Algauw kwamen de mensen zelfwasnee aandragen met een kopje warme bouillon en een appel. Na ruim 5 uur niets te hebben gegeten ging dat er in als koek. Rina vroeg of zij s´nachts kon blijven. Maar ze hadden geen slaapgelegenheid, maar vlakbij was een school, waar twee lokalen ingericht waren als slaapzalen. Nadat zij zich opgewarmd hadden kregen die mensen Heemstra geheten eerst nog het verhaal te horen dat ze meegereden waren, maar nu hun bagage kwijt waren, omdat ze niet wisten waar de tweede wagen gebleven was. De meneer raadde aan, om de volgende dag in Utrecht al de Duitse instanties af te gaan om te vragen of zij daar dan ook iets afwisten van de tweede wagens die uit Rotterdam gekomen waren.

Voordat het donker werd, gingen de vier Stammen opzoek naar school, waar ze voor vijftig ct. per persoon onderdak kregen. Op de grond van twee lokalen lag stro. Maar die nacht konden geen van vieren slapen. Misschien kwam dat wel omdat mannen en vrouwen bij elkaar lagen, ook omdat de kleren die zij aanhadden nog nat waren van al die sneeuw en regen. Vlak boven hun hoofden waren een paar ruiten stuk en regende het in. Het was de naarste nacht die zij op reis hadden meegemaakt.

Ze waren dan ook blij toen ze de volgende morgen dus vrijdag om acht uur de deur uit mochten om hun spullen te zoeken. Maar hoe zou die dag aflopen. Het was zo moeilijk om in een grote stad zonder enige aanwijzingen zulk werk te doen. Maar er zat niets anders op. Met een lege maag gingen ze dan op stap, want sinds de vorige morgen 11 uur hadden ze zo goed als niets gegeten. Eerst gingen ze hun geluk beproeven bij de Ortscommedant, maar daar werd nooit gemeld als er Duitsers aankwamen. Toen zij dan weer buiten stonden zagen zij mijnheer Heemstra die meeging langs al de andere posten. In een gebouw vroeg mijnheer of ze soms wat brood hadden want dat de vier gedupeerden nog niets hadden gegeten. Een Duitser kwam met een stuk kuch aan waar ze begerig hun tanden in zetten en met smaak opaten. Tegen de middag is mijnheer Heemstra naar huis gegaan om te eten, nadat hij ze eerst op verkeersweg had gezet richting Amersfoort. Als hij 's middags tijd had zou hij terugkomen. Het adres van de mensen uit Hardenberg had hij genoteerd, konden zij meerijden, dan zou hij zien of hij de bagage nog kon vinden, en het dan oversturen.

Het was die dag droog maar koud. Het viel niet mee een auto te vinden die ze mee wilde nemen. In de loop van de middag zagen ze een jongen die op de tweede wagen gezeten had en hij vertelde dat Anny ervoor gezorgd had, dat de zakken in de school kwamen waar 's nachts trekkers konden slapen, in de hoop dat de eigenaar daar ook zouden komen. De wagens waren de vorige dag doorgereden tot Utrecht, waar Anny, Tiny en Elbert in die school hadden overnacht. Eerst hadden de Stammen bij de verkeersweg nog gewacht of die mijnheer nog kwam, maar toe het vier uur was zijn ze opzoek naar school gegaan. Daar aangekomen mochten zij er nog niet in, maar toen ze gevraagd hadden of daar gisteren door trekkers een paar pakken achtergelaten waren, mochten ze even gaan zien of het dan hun eigendommen waren. Om vijf uur ging de deuren open, dus moesten ze nog even de stad in. Op de goede afloop gingen ze koffie drinken in een deftig hotel. om half vijf stonden als eersten al weer bij de schooldeur te wachten of ze er in mochten.

Langzamerhand kwamen meer liefhebbers voor nachtlogiës. Voordat de deuren opengingen kwam mijnheer Heemstra langs fietsen. Hij had van die jongen gehoord dat de zakken terecht waren en bracht een half brood en voor elk een appel mee. Rina had mijnheer beloofd om te schrijven als ze goed overgekomen waren. Daar de vier trekkers het eerst bij de deur waren, waren ze ook het eerst binnen toen het 5 uur was en konden ze een mooi plaatsje opzoeken in een lokaal waar de kachel lekker brandde. Twee dames kwamen er ook bij zitten. Zij moesten nog eten halen en hadden van kennissen een kinderwagen meegekregen. Als zij ook wat brood kregen dan konden de zakken van de vier de volgende dag in de wagen liggen. Zo werd afgesproken, en het stukje brood eerlijk verdeeld.

Het viel ook die nacht niet mee om wat te slapen, want in het lokaal waar de kachel brandde stonden banken en tafels, maar Fred en Wim hadden het zich gemakkelijk gemaakt om hun ogen toch dicht te kunnen doen. Hoewel de banken had waren sliepen zij toch tot de morgen.

Zaterdagmorgen de vierde dag, werd de reis voortgezet. Dien dag zouden ze tot Amersfoort gaan, Maar hun weg werd bemoeilijkt door een laag sneeuw en de lucht beloofde niet veel goeds. Toch gingen ze vrolijk verder. want ze hadden hun spullen terug en het ging ook vlug vooruit met de kinderwagen. Op de rijksweg naar Amersfoort gekomen begon het zo hard te sneeuwen dat geen 5m vooruit gezien kon worden. Ook konden ze niet even rusten, want dan zouden ze in sneeuwen, dus ging het steeds maar vooruit. Tegen de middag werd even gerust in een café bij Amersfoort, waar ze alleen een kop soep kochten dat ze van binnen een beetje verwarmde. Al gauw kwamen ze in Amersfoort waar de twee dames familie hadden wonen en de vier Stammen moesten nog wat verder tot buiten de stad waar kennissen van hen woonden op een boerderij. Toen ze daar om half twee aankwamen hadden de mensen al gegeten. Maar de boerin kookte gauw pap, waarna Fred en Wim, nadat ze droge kousen aangetrokken hadden,het hooi opzochten om wat te slapen, het lopen in de sneeuw had hun moe gemaakt. Janny en Rina hielpen eerst de boerin met haar werk. Daarna konden ze aardappelen schillen, dan konden ze s' avonds warm eten krijgen. Ook kregen ze zuurkool en spek. Ze hebben daarvan genoten. Na het eten zijn ze alle vier gauw in het hooi gekropen om niet eerder wakker te worden dan de andere morgen.

De slaap had hen allen verkwikt en uitgerust stonden ze Zondagsmorgens op. Voordat de reis hervat werd mochten ze eerst zoveel boterhammen met boter eten als ze lustten en kregen er ook een paar mee voor onderweg. Half tien gingen ze vol frisse moed richting Nijkerk. Nog maar een klein eindje te hebben gelopen konden ze meerijden met een paard en wagen die, met een Hollandse jongen gevorderd was, om die dag brood te rijden voor de Duitsers. Stiekem, zonder dat de Duitser, die mee moest rijden, het zag, werd een brood in een tas van Janny gestopt. Ze konden meerijden tot Nijkerk, daar moest de wagen een andere weg heen.

Voorbij Nijkerk gekomen zagen ze een juffrouw en een oude man die met een canie eten gingen halen. Maar doordat er zoveel sneeuw lag konden ze haast niet vooruit komen. Die mensen moesten naar Zwolle en omdat onder trekkers daar ook langs moesten vroegen ze of de bagage erin mocht liggen, dan zouden zij helpen met duwen. Dat werd goed gevonden. Tegen de middag kwamen ze in Putten en daar gingen ze op zoek naar de gaarkeuken om te vragen of ze nog iets te eten hadden. Maar dat ging niet want een politie agent stuurde hen weg. Maar ze lieten het daarbij niet zitten en gingen op zoek naar een bakker. Eerst gingen Fred en Wim vragen of ze een brood verkochten, al was het Zondag. Maar zij kregen een half brood zonder te betalen. Daarna gingen de man met zijn dochter Putten in voor voedsel en daarna Janny en Rina.

Voordat de reis vervolgd werd hebben ze eerst gegeten. Daarna gingen ze verder, richting Ermelo, waar ze om 4 uur aankwamen. Daar stond juist een vrachtauto stil om een paar lifters mee te laten rijden. Janny vroeg aan de chauffeur of er nog plaats was voor 4 personen. Omdat ze geen fietsen of andere vervoersmiddelen bij zich hadden konden ze ook nog mee, hoewel ze erg hoog kwamen te zitten. Het was heel die dag droog geweest, maar nu begon het weer te sneeuwen. Maar dat was niet zo heel erg, want de paraplu's gingen open en zo zaten ze dan toch nog droog. Maar bij de IJsselbrug gekomen moesten ze allen van de auto af, want zonder papieren mocht niemand over de brug. Maar terwijl een Duitser de papieren controleerde van de chauffeur, klommen de vier Stammen, met goedvinden van de chauffeur, weer stilletjes op de auto, en verborgen zich onder een zeil, waar nog twee meisjes onder zaten. Ze stonden duizend angsten uit om toch nog ontdekt te worden. Een zucht van verlichting ging door allen toen ze bemerkten dat de auto verder reed. Zodra ze de brug over waren, kwamen ze te voorschijn, en omdat het tegen etenstijd liep kregen ze honger. Het brood dat ze dienmorgen stiekem in hun tas kregen zou verdeeld worden, maar niemand had een mes. Geen nood, het brood werd in zes stukken gebroken en het smaakte zo ook lekker.

De chauffeur moest aardappelen halen voor de voedselvoorziening in Slagharen, en zou ons alleen in Lutten afzetten. Daar kwamen ze om 7 uur aan. Het was donker en er zat niets op dan te zien of ze voor de nacht onderdak konden krijgen. De eerste boerderij waar ze gingen vragen had wel plaats voor zes personen, en nadat ze eerst brood met spek gekregen hadden, werd hun een plaatsje aangewezen in het hooi, waar ze heerlijk hebben geslapen. Maandagmorgen nadat ze eerst weer brood kregen, werd de reis voortgezet. De twee meisjes gingen op de fiets naar Groningen en de andere vier per benenwagen naar Hardenberg. De laatste vijf kilometer werd in drie uur afgelegd en tegen de middag werd Hardenberg bereikt. En bij de fam. Pullen kregen ze 's middags pannekoeken te eten. De weg van ruim 220 km werd afgelegd in 5 ½ dag en in Hardenberg gekomen zijnde waren ze allen vuil en doodmoe.

Kwartierstaat

  1. Frederik Stam
    1. Henderina den Draak
      1. Leendert Stam
      2. Sophia Maria Stam
      3. Petronella Stam
      4. Janna Stam
        1. Gerrit Moeken
          1. Anneke Moeken
          2. Ferry Moeken
          3. Gerrit Willem Moeken
          4. Rina Moeken
      5. Henderina Stam
      6. Frederik Stam
      7. Willem Stam
      8. Martien Stam
      9. Cornelis Dirk Stam